Preek bij de 5e zondag na Pinksteren

door Dirk Jan Schoon, bisschop van Haarlem

Preek voor 5 juli 2020, 5de zondag na Pinksteren (A09), Alkmaar.

Lezingen: Zacharia 9:9-12; Romeinen 6:16-23; Matteüs 11:25-30.

 De tekst die van vanmorgen uit het evangelie hoorden, is een tekst die vaak gelezen wordt in moeilijke situaties in een mensenleven. Bijvoorbeeld aan een ziekbed, als je niet goed weet of er nog wel genezing mogelijk is, dan kan juist deze tekst de gesloten situatie openbreken. “Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.” Het is ook een tekst die alleen bij Matteüs voorkomt; de andere evangelisten hebben niet iets dergelijks. Of je moet het hogepriesterlijk gebed in het Johannesevangelie hiermee vergelijken; dat lange gebed, waarmee Jezus bij de maaltijd met zijn leerlingen alles in handen van zijn hemelse Vader legt. Als je er nog iets verder over nadenkt, kun je je erover verwonderen, dat er maar zo weinig plaatsen zijn waar Jezus met God spreekt. Hier gebeurt dat dan, waar Jezus God dankt dat hij deze dingen – ik kom daar nog op terug – voor wijzen en verstandigen heeft verborgen, en aan kleinen heeft geopenbaard. En veel later, in de tuin van Gethsemane, vraagt Jezus of God de beker aan hem voorbij wil laten gaan. En dan, helemaal aan het einde, zegt Jezus: Vader, in uw handen beveel ik mijn geest. Als je deze momenten uit Jezus’ leven aan je voorbij laat gaan, zie je al, dat hij met God spreekt in uiterste situaties. En eigenlijk geldt dat voor elke mens: in uiterste situaties roep je God aan, is je gebed het vurigst en misschien ook het eerlijkst; alle overbodige ballast valt dan van je af en je plaatst jezelf voor God zoals je bent: je realiseert je hoe kostbaar het geschenk van het leven is, en tegelijk hoe weinig je daar zelf over te zeggen hebt. Misschien kun je het wel een beetje vergelijken met de coronacrisis die we doormaken: natuurlijk hebben heel veel mensen te lijden onder de beperkingen, maar bij velen is er ook een ballast afgevallen, ze zijn tot een soort kern teruggekeerd, zoals onze kerkdiensten wel zijn uitgekleed, maar toch niets werkelijk essentieels missen: we lezen de Schrift, we bidden en we delen de gaven. Een crisis kun je daarom als een ramp beleven – en die wens je niemand toe – maar als die onverhoopt toch komt, dan kun je eigenlijk alleen maar je hoofd buigen en vragen om zijn zegen. Niet meer, maar vooral ook niet minder. Misschien kun je je dan realiseren dat je ondanks alle verdriet en pijn deelhebt aan een vreugde die groter en dieper is dan alles wat je kun weten of begrijpen; dat is een moment waarop je opstanding ervaart, leven in een werkelijkheid die groter is dan alles wat we zien of kennen. Zo begrijp je dan ook dat de tekst van vanmorgen een tekst is die mensen graag in uiterste situaties horen: als alles je dreigt te ontvallen, kun je vertrouwen dat God je opvangt en ontvangt. “Kom tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.”

 Wie is die ‘ik’ eigenlijk en wat is dat voor rust die hij ons in het vooruitzicht stelt? Jezus is daar aan het woord, dus je kunt aannemen dat hij met die ‘ik’ waarover hij spreekt zichzelf bedoelt. Maar wie is deze Jezus dan? Ja, de omstanders zeggen: “hij is de zoon van de timmerman,” zoals ook wij vaak doen als we iemand een plaats proberen te geven: dat is er eentje van die-of-die. Je geeft dan iemand niet alleen een plaats, maar je kadert iemand ook in: je hebt bepaalde verwachtingen van iemand, je zet hem vast op waar hij vandaan komt of wie zijn ouders waren. En dat is niet altijd positief. Zo heb je kinderen van mensen die in die oorlog fout waren; die kinderen lopen hun hele leven lang met de last van die ouders op hun schouders. De mensen die Jezus als de zoon van de timmerman zien, proberen hem ook op zijn verleden vast te pinnen en bedoelen eigenlijk: “Laat hem toch ophouden met zijn wonderen, en gewoon timmerman blijven. Laat hem zijn vader en moeder eren! Waarom zou een zoon zijn vader voorbijstreven?” Deze mensen zien Jezus als de zoon van Jozef de timmerman, pinnen hem op die afkomst vast en zien niet dat Jezus’ levensopdracht groter is, verder ligt, ja, verder dan wij zouden kunnen bedenken. In de tekst van vanmorgen zegt Jezus van zichzelf dat hij de Zoon van de Vader is – tja, wie is niet de zoon van zijn vader? – maar hij zegt daarbij: “aan mij zijn alle dingen in handen gegeven” en dán is duidelijk dat het niet meer over Jozef de timmerman gaat, maar over die Vader, die Jezus even tevoren “Heer van hemel en aarde” heeft genoemd, het gaat over de Heer God! Jezus noemt hier God zijn Vader. En dan moet je bij die verhouding tussen Vader en Zoon niet modern-wetenschappelijk denken aan een biologische band. In de bijbel is de zoon de enige die de vader kan vertegenwoordigen, die de wil van de vader kan uitvoeren. De band tussen Jezus de Zoon en God de Vader heeft te maken met de opdracht die Jezus’ in zijn leven uitvoert: hij laat zien, in zijn woorden en daden, wat God wil met zijn schepping en met de mens. Wisten we dat dan nog niet? Het joodse volk had toch de wet van Mozes, waarin God zijn wil aan Israël had geopenbaard? Jawel, maar Jezus zal die wet van Mozes tot in het uiterste vóórleven. Zoals Israël in die wet van Mozes geroepen is tot een leven in gehoorzaamheid aan de Heer God, zo zal Jezus die gehoorzaamheid volledig ten uitvoer brengen. Tot en met de dood aan het kruis. En daar zal dan duidelijk worden, dat Gods bemoeienis met zijn volk geen halt houdt bij de dood, maar verder gaat, verder dan die uiterste situatie van doodsnood. “Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.” Jezus voert zijn volk als een goede herder naar grazige weiden en wateren der rust, een wereld waarin niet onze pogingen tot zelfbehoud centraal staan, maar waarin elke mens geliefd is niet als het produkt van zijn ouders, maar als kind van God, als uniek schepsel met unieke kansen en gaven.

 Jezus vraagt de mensen tot wie hij spreekt zijn juk op zich te nemen. Dat lijkt een belachelijk voorstel voor mensen die toch al vermoeid en belast zijn! Jezus ontleent dat beeld van het juk aan de profeet Jeremia, die Israël opriep de last van de ballingschap op zich te nemen, om door de ballingschap heen de weg naar de toekomst, de terugkeer naar het beloofde land, te kunnen gaan. Als Jezus zijn leerlingen oproept om zijn juk op zich te nemen, welk beeld wordt ons dan voorgehouden? Het houten juk waaronder je je armen uitspreidt – lijkt dat niet op het kruis waar Jezus zelf aan ondergaat? Het lijkt de doodlopende weg, maar is de weg naar de opstanding tot een leven in Gods werkelijkheid, voorbij alle pijn en gebrek, een wereld waarin mensen ten volle léven als kinderen van God. Voor wijzen en verstandigen is dit alles verborgen, dat wil zeggen: óns kunnen, al onze denkkracht en al onze inspanning schiet tekort om dat te bereiken. Er is iets anders voor nodig, dat naar het woord van Jezus aan kleinen is geopenbaard. Die kleinen, dat zijn de mensen die minderwaardig zijn voor onze wereld, die niet meetellen omdat ze niet wijs en verstandig genoeg zijn. Dat zijn de dichters en de dromers, de fantasten en de eenvoudigen van hart, die afstand nemen van de waan van de dag en zich concentreren op datgene wat een mensenleven werkelijk waardevol maakt: de diepe vreugde die je zomaar ten deel kan vallen als je je openstelt voor Gods genade. En dat kan elk moment van de dag gebeuren: als je je verheugt om je medemens, als je het goede ziet in de dingen om je heen, als je wéét dat je dankzij het voorbeeld dat Jezus ons geeft, zelf in het leven mag staan als kind van God. Amen.

Oud-katholieke parochie H. Laurentius, Alkmaar